NéerlandaisModifier

ÉtymologieModifier

Du verbe sluiten (unir), avec l’adverbe aaneen (bout à bout).

Verbe Modifier

Présent Prétérit
ik sluit aaneen sloot aaneen
jij sluit aaneen
hij, zij, het sluit aaneen
wij sluiten aaneen sloten aaneen
jullie sluiten aaneen
zij sluiten aaneen
u sluit aaneen sloot aaneen
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben sluiten aaneend aaneengesloten

aaneensluiten \Prononciation ?\ transitif

  1. Serrer.

SynonymesModifier

PrononciationModifier

Prononciation manquante. (Ajouter)