aanstrijken

NéerlandaisModifier

ÉtymologieModifier

Composé de la particule séparable aan et du verbe strijken (« frotter »).

Verbe Modifier

Présent Prétérit
ik strijk aan streek aan
jij strijkt aan
hij, zij, het strijkt aan
wij strijken aan streken aan
jullie strijken aan
zij strijken aan
u strijkt aan streek aan
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben strijken aand aangestreken

aanstrijken \Prononciation ?\ transitif

  1. Frotter.

SynonymesModifier

PrononciationModifier