NéerlandaisModifier

ÉtymologieModifier

Composé de la particule inséparable “be” et du verbe “zorgen”.

Verbe Modifier

bezorgen transitif

Présent Prétérit
ik bezorg bezorgde
jij bezorgt
hij, zij, het bezorgt
wij bezorgen bezorgden
jullie bezorgen
zij bezorgen
u bezorgt bezorgde
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben bezorgend bezorgd
  1. Livrer, remettre, apporter.
  2. Procurer, fournir.
  3. Causer

SynonymesModifier

Vocabulaire apparenté par le sensModifier

PrononciationModifier

Prononciation manquante. (Ajouter)