NéerlandaisModifier

ÉtymologieModifier

Composé de “dood” et “gaan”.

Verbe Modifier

doodgaan intransitif

Présent Prétérit
ik ga dood ging dood
jij gaat dood
hij, zij, het gaat dood
wij gaan dood gingen dood
jullie gaan dood
zij gaan dood
u gaat dood ging dood
Auxiliaire Participe présent Participe passé
zijn gaan doodd doodgegaan
  1. Mourir, décéder, trépasser.

SynonymesModifier


PrononciationModifier