NéerlandaisModifier

ÉtymologieModifier

Dérivé par préfixation de breken.

Verbe 1 Modifier

dóórbreken transitif (séparable; auxiliaire hebben)

Présent Prétérit
ik breek door brak door
jij breekt door
hij, zij, het breekt door
wij breken door braken door
jullie breken door
zij breken door
u breekt door brak door
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben, zijn breken doord doorgebroken
  1. Rompre , casser (en deux ou plusieurs morceaux).
    • hij heeft de chocoladereep doorgebroken
      il a rompu la barre chocolatée.

dóórbreken intransitif (séparable; auxiliaire zijn)

  1. Franchir, devenir (rapidement) connu ou célèbre (une vedette de cinéma etc.).
    • hij is doorgebroken met de ballade Aline
      il est devenu une vedette avec la ballade Aline.

Verbe 2Modifier

doorbréken intransitif (inséparable; auxiliaire hebben)

Présent Prétérit
ik doorbreek doorbrak
jij doorbreekt
hij, zij, het doorbreekt
wij doorbreken doorbraken
jullie doorbreken
zij doorbreken
u doorbreekt doorbrak
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben doorbrekend doorbroken
  1. Se rompre, briser, casser, percer, crever (une limite ou une barrière).
    • hij heeft de vicieuse cirkel doorbroken
      il a brisé le cercle vicieux.

SynonymesModifier

rompre
briser
devenir connu

Taux de reconnaissanceModifier

En 2013, ce mot était reconnu par[1] :
  • 100,0 % des Flamands,
  • 98,7 % des Néerlandais.

PrononciationModifier

RéférencesModifier

  1. Marc Brysbaert, Emmanuel Keuleers, Paweł Mandera et Michael Stevens, Woordenkennis van Nederlanders en Vlamingen anno 2013: Resultaten van het Groot Nationaal Onderzoek Taal, Université de Gand, 15 décembre 2013, 1266 p. → [lire en ligne]