Ouvrir le menu principal

NéerlandaisModifier

ÉtymologieModifier

Du français objectif.


Nom commun Modifier

Nombre Singulier Pluriel
Nom objectief objectieven
Diminutif objectiefje objectiefjes

objectief \ɔpjɛkˈtif\ neutre

  1. (Optique) Objectif.

Adjectif Modifier

Forme Positif Comparatif Superlatif
Forme indéclinée objectief objectiever objectiefst
Forme déclinée objectieve objectievere objectiefste  
Forme partitive objectiefs objectievers

objectief \ɔpjɛkˈtif\

  1. Objectif.

Adverbe Modifier

Nature Positif Comparatif Superlatif
Forme objectief objectiever het objectiefst

objectief \ɔpjɛkˈtif\

  1. Objectivement.

Taux de reconnaissanceModifier

En 2013, ce mot était reconnu par[1] :
  • 99,1 % des Flamands,
  • 99,6 % des Néerlandais.

PrononciationModifier

RéférencesModifier

  1. Marc Brysbaert, Emmanuel Keuleers, Paweł Mandera et Michael Stevens, Woordenkennis van Nederlanders en Vlamingen anno 2013: Resultaten van het Groot Nationaal Onderzoek Taal, Université de Gand, 15 décembre 2013, 1266 p. → [lire en ligne]