terugkomen

NéerlandaisModifier

ÉtymologieModifier

Dérivé par préfixation de komen.

Verbe Modifier

Présent Prétérit
ik kom terug kwam terug
jij komt terug
hij, zij, het komt terug
wij komen terug kwamen terug
jullie komen terug
zij komen terug
u komt terug kwam terug
Auxiliaire Participe présent Participe passé
zijn komen terugd teruggekomen

terugkomen \Prononciation ?\ intransitif

  1. Revenir, rappliquer.
    • het bewustzijn komt terug
      la conscience lui revient
    • op zijn verklaring terugkomen
      revenir sur sa déclaration
    • terugkomen op een onderwerp
      revenir à un sujet
    • daar kom ik nog op terug
      je reviendrai là-dessus
    • terugkomen van kantoor
      rentrer du bureau
    • terugkomen van een besluit (l’annuler)
      revenir sur une décision
    • terugkomen op een besluit (y revenir)
      revenir sur une décision

SynonymesModifier

Taux de reconnaissanceModifier

En 2013, ce mot était reconnu par[1] :
  • 99,1 % des Flamands,
  • 99,1 % des Néerlandais.

PrononciationModifier

RéférencesModifier

  1. Marc Brysbaert, Emmanuel Keuleers, Paweł Mandera et Michael Stevens, Woordenkennis van Nederlanders en Vlamingen anno 2013: Resultaten van het Groot Nationaal Onderzoek Taal, Université de Gand, 15 décembre 2013, 1266 p. → [lire en ligne]