verbannen

NéerlandaisModifier

ÉtymologieModifier

Dérivé par préfixation de bannen.

Verbe Modifier

Présent Prétérit
ik verban verbande
jij verbant
hij, zij, het verbant
wij verbannen verbanden
jullie verbannen
zij verbannen
u verbant verbande
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben verbannend verbannen

verbannen \Prononciation ?\ transitif

  1. Bannir, exiler, ostraciser, frapper d’ostracisme.
    • "Ik, Fabian Zè, historicus en docent aan de academie van Trozen op het rijke Tarmaddon, werd onrechtvaardig naar de planeet Fluori verbannen, omwille van mijn eerlijkheid als geschiedschrijver." — (Gust van Brussel, De Atlantica Kroniek, 2003, ISBN 9053252371)
  2. (Figuré) Chasser, reléguer.
    • Oude voorwerpen naar de zolder verbannen.
      Reléguer de vieux objets au grenier.

SynonymesModifier

PrononciationModifier