voorstellen

NéerlandaisModifier

ÉtymologieModifier

Étymologie manquante ou incomplète. Si vous la connaissez, vous pouvez l’ajouter en cliquant ici.

Verbe Modifier

Présent Prétérit
ik stel voor stelde voor
jij stelt voor
hij, zij, het stelt voor
wij stellen voor stelden voor
jullie stellen voor
zij stellen voor
u stelt voor stelde voor
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben voorstellend voorgesteld

voorstellen transitif ou pronominal

  1. Proposer.
  2. Offrir, présenter.
  3. (Pronominal) S’imaginer, se figurer.
    • stel je voor? : tu te rends compte?

SynonymesModifier

Taux de reconnaissanceModifier

En 2013, ce mot était reconnu par[1] :
  • 100,0 % des Flamands,
  • 100,0 % des Néerlandais.

PrononciationModifier

RéférencesModifier

  1. Marc Brysbaert, Emmanuel Keuleers, Paweł Mandera et Michael Stevens, Woordenkennis van Nederlanders en Vlamingen anno 2013: Resultaten van het Groot Nationaal Onderzoek Taal, Université de Gand, 15 décembre 2013, 1266 p. → [lire en ligne]