Voir aussi : wij, wíj́

NéerlandaisModifier

Forme de pronom Modifier

wíj \wɛj\

  1. Forme emphatique de wij.
    • ‘Dat klopt, maar toch verschillen we van anderen. Ook wíj hechten aan tradities, maar hier wonen niet enkel bedrijfskundestudenten en bovendien houden wíj er níet van om anderen de grond in te trappen. We zijn best een gemengde groep wat dat betreft.’ — (« Over de vloer bij... », dans U-Today, 8 mars 2006 [texte intégral])
      La traduction en français de l’exemple manque. (Ajouter)
    • Precies! — Wij — toen wíj nog jong waren, leerden wij eerst teekenen — [...]. — (Carel Steven Adama van Scheltema, Naakt model, 1917)
      La traduction en français de l’exemple manque. (Ajouter)

NotesModifier

L’orthographe de 1996 préconise la graphie wíj́, si techniquement possible.