NéerlandaisModifier

ÉtymologieModifier

A rapprocher de l'allemand leiden, de même sens.

Verbe Modifier

Présent Prétérit
ik lijd leed
jij lijdt
hij, zij, het lijdt
wij lijden leden
jullie lijden
zij lijden
u lijdt leed
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben lijdend geleden

lijden \lɛj.dǝː\ transitif ou intransitif

  1. Souffrir.
    • honger lijden
      souffrir de la faim
    • het lijden
      la souffrance
    • hij lijdt aan duizeligheid
      il est sujet au vertige

Taux de reconnaissanceModifier

En 2013, ce mot était reconnu par[1] :
  • 99,2 % des Flamands,
  • 99,4 % des Néerlandais.

PrononciationModifier

RéférencesModifier

  1. Marc Brysbaert, Emmanuel Keuleers, Paweł Mandera et Michael Stevens, Woordenkennis van Nederlanders en Vlamingen anno 2013: Resultaten van het Groot Nationaal Onderzoek Taal, Université de Gand, 15 décembre 2013, 1266 p. → [lire en ligne]


HomophonesModifier