Ouvrir le menu principal

Sommaire

NéerlandaisModifier

ÉtymologieModifier

Composé de la préposition aan et du verbe tasten.

Verbe Modifier

Présent Prétérit
ik tast aan tastte aan
jij tast aan
hij, zij, het tast aan
wij tasten aan tastten aan
jullie tasten aan
zij tasten aan
u tast aan tastte aan
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben tasten aand aangetast

aantasten \Prononciation ?\ transitif

  1. Attaquer, atteindre.
    • Iemands goede naam aantasten.
      Nuire à la réputation de quelqu’un.
    • Die ziekte heeft zijn gezondheid danig aangetast.
      Cette maladie a fortement ébranlé sa santé.
    • De ozonlaag aantasten.
      Porter atteinte à la couche d’ozone.
    • Iemand in zijn eer aantasten.
      Attaquer l’honneur de quelqu’un.
    • Iemand in, van zijn zwakke zijde aantasten .
      Attaquer quelqu’un par son point faible.
    • (Droit) Door nietigheid aantasten.
      Entacher de nullité
  2. Corroder, attaquer.
    • De carrosserie was ernstig aangetast.
      La carrosserie était rongée par la rouille.

SynonymesModifier

attaquer

corroder

Taux de reconnaissanceModifier

En 2013, ce mot était reconnu par[1] :
  • 98,4 % des Flamands,
  • 98,7 % des Néerlandais.

PrononciationModifier

RéférencesModifier

  1. Marc Brysbaert, Emmanuel Keuleers, Paweł Mandera et Michael Stevens, Woordenkennis van Nederlanders en Vlamingen anno 2013: Resultaten van het Groot Nationaal Onderzoek Taal, Université de Gand, 15 décembre 2013, 1266 p. → [lire en ligne]