NéerlandaisEdit

ÉtymologieEdit

Étymologie manquante ou incomplète. Si vous la connaissez, vous pouvez l’ajouter en cliquant ici.

Verbe Edit

gebruiken transitif

Présent Prétérit
ik gebruik gebruikte
jij gebruikt
hij, zij, het gebruikt
wij gebruiken gebruikten
jullie gebruiken
zij gebruiken
u gebruikt gebruikte
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben gebruikend gebruikt
  1. Employer, se servir de, utiliser.
    • zijn gezond verstand gebruiken
      utiliser sa jugeote
  2. Prendre.
    • een kopje koffie gebruiken
      prendre une tasse de café
    • wilt u iets gebruiken?
      prendrez-vous quelque chose?

SynonymesEdit

employer
prendre

DérivésEdit

Forme de nom commun Edit

gebruiken \Prononciation ?\

  1. Pluriel de gebruik.

PrononciationEdit

Prononciation manquante. (Ajouter)